Herstorisch Hasselt: telkens herrezen uit haar as…

De eerste Hasseltse begijnen vestigden zich in de 13e eeuw op een plaats die nu ‘Begijnenpoel’ noemt, buiten de toenmalige stadsmuren. Ze stonden in contact met de in de buurt gelegen abdij van Herkenrode waar een vrouwenkloosterorde was gehuisvestigd. In de 16e eeuw werd het begijnhof echter vernietigd. Niet lang daarna werd een nieuw hof gebouwd, deze keer binnen de stadsmuren. Het sterk toenemend aantal begijnen wrong met de relatief kleine oppervlakte hof. Aan de overkant van de Demer werd een tweede stuk grond aangekocht dat via een brug het nieuwe en reeds bestaande deel met elkaar verbond.

P1050678

P1050723

De 18e eeuw stond in het teken van inpalming: de Fransen eisten taks en probeerden de kerk, gewijd aan de heilige Catharina, van het hof in te palmen. Enkel voor dit laatste konden de begijnen hen tegenhouden. Niet lang daarna kwam het gehele begijnhof onder de verkoopshamer te liggen. Gelukkig slaagden een aantal begijnen erin een flink hofdeel terug te kopen. Een eeuw later was het Hollands bewind een feit. Deze zorgde voor het in puin leggen van het hof.

P1050680

bhofHasseltkerkKurt

Vanaf 1876 werd de stad Hasselt eigenaar van de begijnhofgrond, in 1938 nam de provincie Limburg het over. Deze beslisten na de tweede wereldoorlog over te gaan tot restaureringswerken met uitzondering van de begijnhofkerk, deze bleef een ruïne waar men een tuin in construeerde. In de huizen tref je hedendaags o.a. het het Provinciaal Centrum voor Kunsten.

© Debby Van Linden

Bronnen:

Heirman, M., Langs Vlaamse begijnhoven, 2001.

Van Aerschot, S. en Heirman, M., Vlaamse begijnhoven, werelderfgoed, 2001.

Advertisements

Hasseltse halve glorie

Stevig ingeduffeld stapten we het Hasselse centrum in richting begijnhof. De begijnhofpoort doorwandelende kwam het hof me tegemoet: een aantal huizen en een ruïne sprongen in het oog.

poortHasselt

Deze laatste bleek een restant van de begijnhofkerk te zijn. De ruïne had iets, langs de andere kant betreurde ik het feit dat ook dit stukje erfgoed wegteerde.

P1050686

Het hof kwam me over als ‘mooi’ en ‘lelijk’, afhankelijk van welke kant ik opkeek: de resterende huizen gaven de glorie weer, de industriële bouw aan de andere kant werkte ontzielend op me in.

P1050723

Door de openstaande deuren van de voorhofjes wandelende, viel me het gedicht en een kleine toelichting, hangende aan de binnenkant, me op. Hier was duidelijk hart-elijkheid aanwezig! Aan één van de opschriften in de ‘Duivelstuin’ meende ik nog iemand met begijneninteresse natuurgewijs te ontmoeten.

P1050700

In deze late herfstperiode trof het me nog bloeiende rozen te zien. Ondertussen had ik een aantal boeken over het goddelijk vrouwelijke gelezen en wist nu dat de roos het symbool* vormde voor ‘de Vrouwe’ én de ziel: onuitroeibaar sterk én vervuld van mystieke schoonheid. Mijn (eerdere) connectie met deze ‘ZielsVrouwe’ kon ik nu plaatsen. Deze roos nam ik alvast als psychisch erf-goed én op foto mee.

P1050717

Buiten aan de begijnhofmuur zag ik haar weer, Maria! Deze keer kon ik haar plaatsen en herkennen als de Grote Moeder. Ik groette haar deze keer anders: als de Grote Moeder die bleef, ‘no matter what’.

P1050729

P1050736

Even later dook ze weer op, alsof ze mij teruggroette. In het zijportaal van de Sint-Rochuskerk keek ik naar haar in het glasraam: met een fiere, rechtopstaande en evenwichtige houding en de uitstraling van een priesteres. Naar deze Maria had ik lang gezocht: een vrouw, staande in haar eigen kracht!

*Mijn later onderzoekswerk naar ‘het vrouwelijke’ qua symboliek leidde tot de bevinding dat er vele symbolen zijn, naargelang plaats, tijd en cultuur licht verschillend, doch die steeds overeenkomen in één opzicht: de vrouw is het (begin van alle) leven.

© Debby Van Linden